De arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een BBL-leerling telt niet mee in de keten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, de zogenaamde ketenregeling. Dit is zo bepaald in artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek. De ketenregeling werkt volgens de 3x3x6-regel: maximaal 3 arbeidsovereenkomsten in 3 jaar, met een tussenperiode van maximaal 6 maanden tussen elke overeenkomst. Maar hoe zit het dan met de ketenregeling als de beroepspraktijkvormingsovereenkomst met de onderwijsinstelling is beëindigd, maar de arbeidsovereenkomst met de BBL-leerling nog enige tijd doorloopt? Over deze vraag heeft de Rechtbank Gelderland zich onlangs uitgelaten.

Wat is er aan de hand?

Op 12 oktober 2018 trad de werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst bij de werkgever als leerling automonteur. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor de duur van de met de onderwijsinstelling af te sluiten beroepspraktijkvormingsovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst was bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de dag dat de beroepspraktijkvormingsovereenkomst eindigt. De met de onderwijsinstelling afgesloten beroepspraktijkvormingsovereenkomst kende een einddatum van 31 juli 2020.

De werknemer bleek een snelle leerling, want hij behaalde op 16 maart 2020 al zijn diploma. Op grond van de voorwaarden bij de beroepspraktijkvormingsovereenkomst eindigde deze overeenkomst bij het behalen van het diploma.

De werkgever was onbekend met het behaalde diploma en bood de werknemer per 1 augustus 2020 een jaarcontract aan. Hierna werd de werknemer nog tweemaal een jaarcontract aangeboden. Nadat het derde jaarcontact op 31 juli 2023 was afgelopen, werd de arbeidsrelatie niet voortgezet. De werknemer was het hier niet mee eens, omdat volgens hem sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Hoe oordeelt de rechter?

De rechter is met de werknemer van mening dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens de rechter is de keten van arbeidsovereenkomsten gestart op 16 maart 2020, de dag waarop de werknemer zijn diploma heeft behaald en de beroepspraktijkvormingsovereenkomst is beëindigd. Als gevolg hiervan is de maximale periode waarbinnen overeenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden aangeboden op 16 maart 2023 verstreken. Dit betekent dat de laatste afgesloten arbeidsovereenkomst, per 1 augustus 2022, voor onbepaalde tijd heeft te gelden.

De werkgever had nog als verweer aangevoerd dat hij er niet mee bekend was dat de werknemer eerder zijn diploma had behaald. Dit verweer mocht hem niet baten. De rechter was van mening dat de werkgever zelf verantwoordelijk was voor het contact met de onderwijsinstelling over de studievoortgang van de leerling. Nu hij dat heeft nagelaten, komen de gevolgen hiervan voor rekening en risico van de werkgever.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Veel werkgevers hebben BBL-leerlingen in hun onderneming werkzaam. Gebruikelijk is dat in de arbeidsovereenkomst een bepaling is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt op het moment dat de beroepspraktijkvormingsovereenkomst eindigt. Om vervelende verrassingen te voorkomen, is het voor werkgevers aan te raden om op gezette tijden zowel met de onderwijsinstelling als met de leerling de studievoortgang te bespreken. Zo blijf je als werkgever op de hoogte van de vorderingen van de leerling en ben je tijdig op de hoogte van eventuele veranderingen in de situatie.