Per 1 januari 2020 sectorspecifieke aanpak schijnzelfstandigheid door Belastingdienst in het kader van de Wet DBA. 
De Belastingdienst voert sinds 1 januari meer controle uit met betrekking tot de schijnzelfstandigheid in het kader van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). 
Handhaving van de Wet DBA zal niet meer alleen aan de orde zijn als sprake is van kwaadwillendheid door de opdrachtgever, het zal dit jaar ook worden gehandhaafd als de opdrachtgever aanwijzingen van de Belastingdienst niet opvolgt. 

Volgens de Belastingdienst is een opdrachtgever ‘kwaadwillend’ als deze opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan terwijl hij weet, of had kunnen weten, dat er sprake is van een echte of fictieve dienstbetrekking. De bewijslast dat sprake is van een echte dienstbetrekking, een fictieve dienstbetrekking dan wel van evidente of opzettelijke schijnzelfstandigheid rust bij de Belastingdienst. 
Als sprake is van een echte of fictieve dienstbetrekking, maar niet van kwaadwillendheid zal de Belastingdienst aan de opdrachtgever aanwijzingen geven. Op grond van deze aanwijzingen moet de opdrachtgever binnen 3 maanden de arbeidsrelatie zo vormgeven dat sprake is van werken buiten dienstbetrekking of de arbeidsrelatie als dienstbetrekking verwerken in de aangifte. 

Als de Belastingdienst constateert dat na de gestelde periode van 3 maanden nog steeds sprake is van een echte of fictieve dienstbetrekking, zal tot handhaving worden overgegaan. Ingeval van handhaving zullen correctieverplichtingen werknemersverzekeringen en naheffingsaanslagen loonheffingen met boete aan de orde zijn. 

De Belastingdienst zal haar controlecapaciteit specifiek inzetten op de sectoren bouw en zorg. De bemiddelingsbureaus en intermediaire partijen in deze sectoren zullen ook hierin worden betrokken. In de zorg gaat het om met name om toezicht bij ziekenhuizen en zelfstandige klinieken. In de bouw gaat het om (grote) bouwprojecten. 

Nieuwe Wet op de Zelfstandigenverklaring
Op 28 oktober 2019 is het Wetsvoorstel op de Zelfstandigenverklaring gepubliceerd. Het kabinet wil de Wet op de Zelfstandigenverklaring op 1 januari 2021 invoeren. Deze wet gaat de huidige Wet DBA vervangen. 
De kern blijft om te beoordelen of een ZZP-er geen schijnzelfstandige is. Daarvoor blijven dezelfde criteria gelden als onder de huidige Wet DBA. Zwaartepunt ligt bij de beoordeling van de gezagsverhouding. De beoordeling zal plaatsvinden door middel van een digitale vragenlijst in de vorm van een webmodule. Aan de hand van een beslisboom met heldere vragen rolt er een oordeel uit of met de ZZP-er een overeenkomst van opdracht kan worden gesloten.  

Er komen 2 verklaringen voor ZZP-ers:
1. De opdrachtgeversverklaring (opt-in verklaring voor ZZP-ers met een netto uurtarief tussen de € 16,- en € 75,- per uur); 
2. De zelfstandigenverklaring (opt-out verklaring voor ZPP-er met een hoger netto uurtarief dan € 75,- per uur).  
Ad 1. Opdrachtgeversverklaring
De opdrachtgeversverklaring gaat gelden voor ZZP-ers met een uurtarief tussen de € 16,- en 
€ 75,- per uur en die voldoen aan de zelfstandigheidscriteria. Deze criteria worden getoetst in de vorengenoemde webmodule. De opdrachtgeversverklaring wordt aangevraagd door de opdrachtgever
Ad 2. Zelfstandigenverklaring
De zelfstandigenverklaring gaat gelden voor ZZP-ers met een uurtarief dat hoger is dan € 75,- per uur. De zelfstandigenverklaring heeft een maximale duur van 12 maanden en wordt door de opdrachtgever en opdrachtnemer gezamenlijk aangevraagd. Bij de zelfstandigenverklaring hoeven de zelfstandigheidscriteria niet te worden getoetst in de webmodule.
Wilt u meer weten over het verscherpte toezicht door de Belastingdienst? Neem dan contact met ons op of lees het Toezichtplan Arbeidsrelaties.

Dit artikel is geschreven door Peter van der Hoeven, belastingadviseur. 

 
Bron: Fri, 28 Feb 2020 13:57:46 +0100